Schakelen

Begin van de nacht kom ik thuis na een pittige avonddienst. Mijn man is nog wakker en ik plof op de bank met een wijntje. Nog even bijkomen.. Gelukkig is dat dat niet altijd nodig, maar soms is het anders…

‘Druk gehad?’, vraagt hij. ‘Ja.’, is mijn antwoord. Vervolgens de vraag hoeveel baby’s er dan zijn geboren. ‘Niet één’, zeg ik. Een vragende blik. Tsja, soms is dat zo. De ene dienst begeleid ik vier bevallingen en voelt het als een rustige avond, omdat het allemaal soepel liep en mooi na elkaar kwam, waardoor ik voor iedereen de rust en ruimte had. De andere dienst wordt er niet één kindje geboren, maar loop je toch een soort van over.

En dit was er zo een. Ik had de zorg voor twee patiënten. De vrouwen lagen opgenomen op de afdeling, in twee kamers direct naast elkaar. Maar wat er zich in die kamers afspeelde, kon haast niet meer van elkaar verschillen.

Op kamer 10 een stel, halverwege de 30, zij zwanger van hun eerste kindje. Na jaren in een fertiliteitstraject te hebben gezeten en talloze IVF-behandelingen was het dan eindelijk gelukt. En nu waren ze hier om deze o zo gewenste zwangerschap te laten afbreken. De NIPT had een slechte uitkomst gegeven. Een vruchtwaterpunctie had dit bevestigd. Hun kindje had een aandoening die, zoals dat in medische termen heet, ‘niet met het leven verenigbaar’ zou zijn. Het leefde in haar buik, maar zou tijdens of kort na de bevalling komen te overlijden. Onvermijdelijk. Dit stel had de onwijs moeilijke beslissing genomen de zwangerschap voortijdig af te breken. Nog net geen 20 weken was ze. Nu moest ze gaan bevallen van dit meer dan gewenste kindje. Een meisje, dat ze sinds een week voelde bewegen in haar buik en dat ook tijdens de bevalling nog af en toe met een schopje liet merken dat ze er was.

Het begeleiden van dit soort bevallingen is altijd zwaar. En, natuurlijk, nooit hetgeen ik hoop aan te treffen als ik in de auto zit op weg naar werk. Ook niet waarom ik ooit voor dit prachtige vak heb gekozen. En toch is het mooi. Het is puur, het is echt. Het is emotioneel en beladen. Als verloskundige voel ik dat ik echt een verschil voor hen kan maken. Niet in leven of dood, was het maar waar, maar in beleving. In het bewust omgaan met deze situatie, samen hier doorheen vechten, oog te hebben voor gevoelens, wensen en details.

‘Vinden jullie het fijn nog een laatste keer met de echo te kijken, naar het hartje te luisteren? Willen jullie alvast een mandje en dekentje uitkiezen waar jullie meisje straks in kan liggen? Wat denk je, wil je haar direct zien en op je borst, of wil je dat ik haar eerst omschrijf? En papa, wil jij haar misschien mee aanpakken en bij mama leggen? Wil je de navelstreng doorknippen? Kruip anders naast haar in bed straks, als het echt zover is, jullie doen dit samen. En: wat je nu beslist, denkt fijn te vinden, mag straks ook anders zijn. Geef het aan, voel in het moment, alles is goed. We zijn er voor jullie.’

Na deze rustige kennismaking, dit gesprekje en dit echte contact, stap ik de kamer ernaast (kamer 12) binnen. Ik stel me voor aan de vrouw in bed, eind 20, en haar partner. Daarnaast ook allemaal familieleden, opgetrommeld om dit bijzondere moment samen mee te maken. Ik probeer alle namen te onthouden en ook wie wat van elkaar is. Een trotse aanstaande opa slaat op de schouder van zijn zoon en vertelt me direct dat het sterke zaad van zijn kant komt. Ook zijn vrouw was destijds binnen een paar maanden zwanger, en deze baby is zelfs verwerkt toen zijn schoondochter nog aan de pil was! ‘Oké’, denk ik: ‘too much information!’

De kamer ruikt naar de geur van sigarettenrook. Het wordt me al snel duidelijk hoe dit komt: familieleden en partner lopen in en uit ‘om buiten even een luchtje te scheppen’. Ook de aanstaande moeder, nog in het begin van haar bevalling, vraagt of ze niet even naar buiten kan. Ik leg haar uit dat we reden hebben om haar kindje continu te monitoren met het CTG-apparaat. Aan de hartslag van die kleine kunnen we zien hoe hij het daarbinnen heeft, hoe hij reageert op de weeën. Het is een klein ventje met weinig reserve, dat weten we door alle vele echo’s die ze heeft gehad. Ik leg haar uit dat we weten dat dit soort kindjes sneller reageren op weeën dan kindjes met wat meer body, wat meer reserve. En dat we daarom, zelfs nu ze nog maar beginnende weeën heeft, echt in de gaten willen houden hoe het met die kleine gaat. ‘Ach’, zegt haar moeder, de aanstaande oma, ‘zij was zelf ook maar 2200 gram toen ze geboren werd, en je ziet het toch, dat komt gewoon goed. Bovendien beviel ik gewoon thuis hoor, ik heb niks met al die toeters en bellen, en zonder dat hartslag apparaat ging het vroeger ook gewoon allemaal prima.’ Ik snap haar visie vanuit haar eigen ervaring, maar weet natuurlijk toch dat het wezenlijk meer risico’s met zich meebrengt en probeer mijn voorstel te onderbouwen. Met respect, zonder oordeel, maar met het gevoel van verantwoordelijkheid om voor deze ongeboren baby zo veilig mogelijk door de bevalling te helpen. Iedereen is anders en ik ben niet hier om daar om zorg op maat te geven. Ik probeer zo goed mogelijk een band op te bouwen met dit stel en deze familie, om deze avond samen in te gaan.

Na beide kennismakingen maak ik mijn notities in ons kantoortje. Veel tijd om even van mijn collega te horen hoe het bij haar patiënten gaat krijg ik niet. Het CTG begint te reageren op kamer 12, de baby krijgt het lastig.

De rest van de dienst haast ik me regelmatig naar deze kamer. We helpen haar van houding te wisselen, om te zien of de baby dit misschien fijner vindt. We zetten de wee-opwekkers een stapje terug, zodat die kleine iets meer pauzes heeft om bij te komen. Later toch weer wat omhoog, want de ontsluiting blijft hangen. Ik informeer haar over de opties qua pijnstilling en regel een ruggenprik. Ik voer een extra onderzoekje uit door wat bloed af te nemen uit het hoofdje van de baby, om iets meer te weten te komen over zijn conditie. Gelukkig, er is nog wat reserve. Ondertussen probeer ik alles zo duidelijk mogelijk uit te leggen en gesprekjes aan te gaan.

Ook het stel in de kamer ernaast vraagt aandacht. Andere aandacht. Het is een rustiger en meer invoelend contact. Emotioneel, verdrietig, intens. Ze zijn moe, maar staan nog aan het begin. Van de bevalling, maar ook van alles wat daarna nog op hen af zal komen. Want dit kindje zal er altijd zijn, in hun hart, en zij hebben voor altijd een kind tekort. We praten en zijn samen stil. Zij huilen, ik houd een hand vast waar ik kan. Het liefst zou ik blijven, maar mijn belletje gaat weer.

Ik loop op en neer, tussen de twee aanliggende kamers, en schakel op de gang. Steeds heb ik maar een paar meter en enkele seconden om te switchen, tussen deze twee totaal verschillende gezinnen en situaties. Moe en maar half voldaan draag ik aan het einde van mijn dienst beide patiënten over aan mijn collega’s van de nachtdienst. Beiden zijn nog niet bevallen. Ik ben op.